1. Het bewijs van het strafrechtelijk verwijtbaar gedrag van de rechtspersoon is een feitenkwestie. Dat moet worden beoordeeld in functie van de kenmerken die eigen zijn aan de rechtspersoon. Men zal immers moeten aantonen dat het misdrijf voortkomt uit een bewust en uit vrije wil genomen beslissing binnen de rechtspersoon, hetzij met opzet of met bijzonder opzet[1], hetzij voortvloeiend uit een (ernstig[2]) gebrek aan voorzorg en voorzichtigheid op het niveau van de rechtspersoon in causaal verband met het misdrijf. Het gedrag, of beter gezegd het beleid, van de organen van de rechtspersoon of andere al dan niet nader geïdentificeerde leidinggevenden[3] zal een determinerende factor zijn bij die beoordeling van de verwijtbaarheid t.a.v. de rechtspersoon.[4]
2. Volgens de wetgever wordt het bewust en uit vrije wil handelen vermoed zolang er geen sprake is van een schuldontheffingsgrond (onoverkomelijke dwaling of onoverwinnelijke dwang). Het voorhanden zijn van een schuldontheffingsgrond neemt het moreel bestanddeel van het misdrijf weg; m.a.w. is er in dat geval geen misdrijf meer. Dit verschilt van de werking die de schuldontheffingsgrond had onder het oude strafwetboek van 1867. Daar greep de schuldontheffingsgrond in op het niveau van de verwijtbaarheid van het misdrijf, d.w.z. dat het misdrijf bleef bestaan maar het was niet verwijtbaar aan diegene die zich kon beroepen op de schuldontheffingsgrond; het misdrijf kon hem m.a.w. niet worden toegerekend.[5] Hoe dan ook, oud (geen schuld in de zin van verwijtbaarheid) of nieuw (geen misdrijf), het willoos instrument zal in beide gevallen worden vrijgesproken.
Hier op die problematiek verder ingaan zou ons te ver afleiden van het onderwerp van dit nieuwsbericht, nl. wat de impact van het middellijk daderschap zou kunnen zijn op de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de ‘eenpersoonsvennootschap’ en het ermee verbonden zwaard van Damocles, de beveiligingsmaatregel van de ontbinding.
3. Middellijk daderschap betekent dat een natuurlijke of rechtspersoon die alle bestanddelen van een misdrijf in zich verenigt, of die voldoet aan de voorwaarden gesteld aan een strafbare poging onder artikel 9 Sw., zich bedient van een ander persoon als louter instrument (artikel 17, 2° Sw.).[6] Eenvoudig(er) gesteld gaat het om de persoon die het misdrijf pleegt door zich te bedienen van een ander persoon (de zgn. derde) als willoos instrument.
4. Dit middellijk daderschap verdient enige aandacht wat betreft de eenpersoonsvennootschappen die in strafrechtelijk vaarwater komen door het misbruik van enige bestuurder-aandeelhouder. Over die problematiek vloeide in het verleden al heel wat inkt in rechtspraak en rechtsleer. Het is immers geen evidentie een eigen strafrechtelijke verwijtbaarheid van de rechtspersoon te ontwaren als die slechts door één bestuurder-aandeelhouder wordt gemanaged. De problematiek hoeft echter niet per definitie alleen voor te komen bij eenpersoonsvennootschappen. In wezen rijst de vraag voor elke rechtspersoon die als willoos instrument wordt gebruikt door een of meerdere bestuurders/aandeelhouders louter voor eigen profijt. Meestal gaat het echter kleine(re) vennootschappen.
5. Hoe kleiner de rechtspersoon, des te problematischer het wordt om een ‘eigen corporatief schuldpatroon’ te ontwaren dat losstaat van dat van het orgaan of de weinige organen. Voor een overzicht kan de lezer terecht bij het commentaar van ondergetekende bij artikel 18 Sw.[7]
6. Telkens rijst in dit verband de vraag welke autonome beslissingsmogelijkheid de veroordeelde rechtspersoon had? Die vraag stellen voor het Hof van Cassatie had tot 1 september 2026 echter weinig zin omdat dit Hof, om het met de woorden van J. HUYSMANS te zeggen, de toerekening aan de éénpersoonsvennootschappen heeft verwezen naar het “rijk der feiten”; en dus naar het soevereine beoordelingsspeelveld van de feitenrechter. Op die laatste rust(te) dan maar de taak (last) voldoende aandachtig te zijn om de valkuil te vermijden van de door wetgever niet gewenste[8] afgeleide strafrechtelijke verantwoordelijkheid van dergelijke vennootschappen.[9]
7. Het misbruiken van een rechtspersoon die zelf geen enkele ruimte mogelijkheid heeft om afwijkend te handelen t.a.v. de natuurlijke perso(o)n(en) die hem bestu(u)r(t)(en) impliceert een middellijk daderschap. In dat geval rijst de vraag of dit enige verandering zal brengen in de rechtspraak als een veelal eenpersoonsvennootschap zal opwerpen te zijn gebruikt als willoos instrument.
In elk geval biedt het ‘nieuwe’ artikel 17, 2° Sw. een duidelijker grondslag om deze problematiek voor de rechtbank te thematiseren. Aan de verdediging om in dat geval duidelijk in de feiten te onderbouwen dat de enige/weinige bestuurder(s)/aandeelhouder(s) de eigenlijke dader(s) is (zijn) van het misdrijf. Of anders gesteld, beargumenteren dat het veroordelen van een rechtspersoon die als instrument wordt gebruikt voor het profijt van één of meerdere van zijn bestuurders, zaakvoerders, leden, enz., niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan zijn.
8. Als de feitelijke situatie beantwoordt aan artikel 17, 2° Sw. zal de rechter de rechtspersoon moeten vrijspreken. Echter zal hiermee de kous niet altijd af zijn. Er zijn immers twee hypotheses denkbaar:
- Hypothese 1: de rechtspersoon was het willoos instrument voor één of meerdere specifieke misdrijven maar werd niet opgericht om misdrijven te plegen en evenmin gaandeweg van zijn voorwerp afgewend om alleen nog maar misdrijven te plegen;
- Hypothese 2: de rechtspersoon is opzettelijk opgericht om de strafbare werkzaamheden te verrichten waarvoor hij werd ‘veroordeeld’ (sic) of is opzettelijk van zijn voorwerp afgewend om dergelijke werkzaamheden te verrichten.
9. In de eerste hypothese lijkt de rechtspersoon zonder meer te moeten worden vrijgesproken. In de tweede hypothese geldt artikel 71 dat de ontbinding van de rechtspersoon als beveiligingsmaatregel regelt die opzettelijk is opgericht om de strafbare werkzaamheden te verrichten waarvoor hij werd ‘veroordeeld’ of wanneer hij opzettelijk van zijn voorwerp is afgewend om dergelijke werkzaamheden te verrichten. Deze bepaling vereist echter een veroordeling van de rechtspersoon willoos instrument … Dit staat haaks op het feit dat de rechtspersoon wordt ontbonden bij wijze van beveiligingsmaatregel omdat hij werd misbruikt door een derde om misdrijven te plegen. Er wordt dan ook bepleit dat de wetgever best zo snel mogelijk aan dit euvel zou remediëren.[10]
Dit euvel is wellicht relatief eenvoudig op te lossen met de vervanging in artikel 71 Sw. van het woord ‘veroordeeld’ door het woord ‘vervolgd’.
10. In de doctrine wees men er wel al op dat het belang van een veroordeling van een ‘misbruikte’ rechtspersoon erin kan bestaan om vermogensvoordelen af te romen.[11] Hoewel dit correct is, doet dit geen afbreuk aan het feit dat een verbeurdverklaring een straf is en slechts kan worden opgelegd aan wie schuldig wordt bevonden aan het plegen van een misdrijf.
Overigens kan men zich afvragen of er werkelijk een probleem rijst? Eens de ontbinding van de rechtspersoon in kracht van gewijsde is getreden zal het bevoegde gerecht naar wie de strafrechter de zaak heeft verwezen de vereffening van de rechtspersoon verder afhandelen.
Na verwijzing door de strafrechter wordt een ontbonden vennootschap of vereniging vereffend conform de regels van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Die vereffenaar is belast met drie opdrachten: de activa verzilveren, de passiva aanzuiveren en het vereffeningssaldo[12] uitkeren. Die vereffening omvat een samenloop waarbij de Belgische Staat niet is bevoorrecht.[13] Welnu, in de hypothese van de misbruikte rechtspersoon kan het zo zijn dat een eventuele schuld en/of het eventueel vereffeningssaldo geheel of gedeeltelijk samenvalt met de waarde van het vermogensvoordeel/de vermogensvoordelen van de veroordeelde perso(o)n(en) die zich heeft/hebben bediend van de rechtspersoon.
Telkens dit het geval is, kan als de rechter de verbeurdverklaring bij equivalent lastens die laatste(n) heeft uitgesproken (artikel 53, § 2, lid 2 en 3 Sw.), de waardeconfiscatie worden uitgevoerd op wat aan de veroordeelde zou worden teruggegeven en/of zou toekomen via het vereffeningssaldo.[14]
Antwerpen, 18 oktober 2026
© Patrick Waeterinckx – vennoot Waeterinckx – Van Herpe Advocaten Ondernemingsstrafrecht
[1] Dat evident ook opzet omvat
[2] In tal van bijzondere geldt (voorlopig?) nog de ‘gewone’ onachtzaamheid.
[3] Noteer dat art. 5, lid 2 Sw.1867 niet vereist dat de geïdentificeerde natuurlijke persoon beschikt over een bepaalde hoedanigheid of de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen (Cass. 21 mei 2019, P.19.0128.N, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.6, TBH-RDC 2020/8, 1067, noot VANDEUREN J., “‘Oud’ artikel 5, lid 2 Sw.: hoedanigheid van de geïdentificeerde natuurlijke persoon”, TBH-RDC 2020/8, 1068-1069).
[4] Parl.St. Senaat 1998-99, nr. 1217/6, 9 (Verslag JEANMOYE).
Cf. Cass. 24 mei 2022, P.22.0050.N, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220524.2N.13, concl. Adv. Gen. B. DE SMET T.Strafr. 2022/6, 352-354; Cass. 8 februari 2022, P.21.1278.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.5; Cass. 22 oktober 2019, P.18.1268.N, onuitg.; Cass. 16 februari 2021, P.20.0933.N, onuitg.; Cass. 29 september 2015, P.15.1169.N, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150929.9; Cass. 21 oktober 2014, P.13.0655.N, NC 2015, 441; Gent 10 juni 2022, T.Strafr. 2022/6, 374 (364); Corr. Oost-Vlaanderen (Afd. Oudenaarde), 5 december 2023, T.M.R. 2024/2, (228) 230.
[5] ROZIE J. en DE HERDT J., Handboek Belgisch algemeen strafrecht, LeA-uitgevers, 2026, nr. 201 e.v.
[6] ROZIE J. en DE HERDT J., Handboek Belgisch algemeen strafrecht, LeA-uitgevers, 2026, nr. 458, VANHEULE J., “Strafbare poging, strafbare deelneming en bestraffing van rechtspersonen”, hand-outs voor de studiedag ‘Het Nieuwe Strafwetboek voor rechtspractici. Studiedag d.d. 27/2/2026’, 25-30.
[7] WAETERINCKX, P., Commentaar bij art. 18 Sw. 2024 – Verantwoordelijkheid van rechtspersonen, Kluwer, randnrs. 50-61.
[8] Niet in 1999 en ook nu niet in het nieuwe Strafwetboek.
[9] HUYSMANS J., “Het corporatief schuldpatroon bij éénpersoonsvennootschappen: over moeten, mogen en kunnen”, TBH 2024/8, 1025-1032.
[10] FRANSSEN V., « Article 71 – La dissolution de la personne morale », in SCALIA D., GUILLAIN C. et KENNES L., Le nouveau Code pénal. Commentaire article par article du livre Ier), p. 370.
[11] FRANSSEN V., « Article 71 – La dissolution de la personne morale », in SCALIA D., GUILLAIN C. et KENNES L., Le nouveau Code pénal. Commentaire article par article du livre Ier), p. 370.
[12] VAN GERVEN D., Handboek vennootschappen. Algemeen deel. Tweede editie, Larcier, 2020, nr. 548 e.v.
[13] VAN GERVEN D., Handboek vennootschappen. Algemeen deel. Tweede editie, Larcier, 2020, nr. 496. De daarop volgende opmerking van deze auteur dat lastens de vennootschap nog een verbeurdverklaring kan worden uitgesproken geldt onder artikel 71 Sw.2024 niet meer.
[14] WAETERINCKX, P., Commentaar bij art. 71 Sw. 2024 – Ontbinding van de rechtspersoon, Kluwer, randnrs. 10-14.
