Sinds de wettelijke verankering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen in 1999 (art. 5 OSw.) werden verschillende aspecten van deze regeling gewijzigd in 2002, 2018 en 2021. De inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek op 1 september 2026 vormt de meest recente wijziging in rij. Patrick Waeterinckx bespreekt dit leerstuk en zijn achtergrond uitvoerig in zijn commentaar bij het nieuwe artikel 18 NSw.[1] Ook artikel 71 NSw., dat de ontbinding van de rechtspersoon omvormt van straf naar beveiligingsmaatregel, voorzag Patrick Waeterinckx van commentaar.[2] Dit nieuwsbericht licht enkele kernpunten uit beide bijdragen toe, met bijzondere aandacht voor de raakvlakken tussen beide.
Het nieuwe artikel 18 over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen verschilt slechts op één woord na van het oude artikel 5, zoals dat sinds 2021 gold. Het eerste van de drie materiële toerekeningscriteria verwijst namelijk niet langer naar “de verwezenlijking van het doel van de rechtspersoon”, maar naar diens “voorwerp”. Die wijziging is evenwel louter tekstueel en heeft geen inhoudelijke weerslag.[3]
Dat het bij deze beperkte wijziging bleef, valt enigszins te betreuren. De wetgever had bijvoorbeeld kunnen denken aan een (enkel) eenvoudiger materieel toerekeningscriterium[4] of hij had de meerwaarde van de gelijkschakeling met rechtspersonen van maatschappen en vennootschappen in oprichting in vraag kunnen stellen.[5]
Ook het feit dat de wetgever niets heeft geëxpliciteerd over het vereiste van een moreel bestanddeel in hoofde van rechtspersonen, kan beschouwd worden als een gemiste kans. Uit het schuldstrafrecht volgt immers dat een rechtspersoon, naast (één van) de eigen materiële toerekeningscriteria, een eigen “corporatief schuldpatroon” moet vertonen om hem te kunnen veroordelen (zie ook art. 5, lid 1 NSw.).[6] Hoewel rechtspersonen de facto via individuen handelen, beschikken zij volgens het strafrecht over een eigen wil. Die wil kan dan ook niet louter worden afgeleid uit de wil van natuurlijke personen. Zo kan de strafrechtelijke schuld van de rechtspersoon ofwel voortkomen uit een opzettelijk genomen beslissing binnen de rechtspersoon, ofwel uit onachtzaamheid[7] op het niveau van de rechtspersoon, die in causaal verband staat met het misdrijf. De beoordeling hiervan is een feitenkwestie, waarbij rekening moet worden gehouden met de kenmerken die eigen zijn aan de rechtspersoon.[8]
Het beginsel van autonome strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen maakt ook dat er een belangrijk verschil bestaat tussen een rechtspersoon die zelf misdrijven pleegt en misdrijven gepleegd door natuurlijke personen die zich daarvoor van een rechtspersoon bedienen.[9] Precies daarom krijgt deze problematiek een bijzondere dimensie bij de nieuwe regeling inzake de ontbinding van de rechtspersoon.
Dat een rechtspersoon kon worden gestraft met een ontbinding omdat hij zou zijn opgericht om strafbare feiten te plegen of omdat zijn doel er door de tijd heen in bestaat strafbare feiten te plegen, achtte de Raad van State alvast niet in lijn met de hier aangehaalde principes[10]: de rechtspersoon kon in dat geval namelijk worden gestraft zonder zelf een misdrijf te hebben gepleegd. Daarom werd de straf van de ontbinding van de rechtspersoon (art. 35 OSw.) in het nieuwe Strafwetboek omgevormd tot beveiligingsmaatregel (art. 71 NSw.).[11] Aangezien de ontbinding ertoe strekt de rechtspersoon uit het rechtsverkeer te halen, is die omvorming van straf naar maatregel logisch.
Voor het overige onderging de ontbinding evenwel geen inhoudelijke wijzigingen onder het nieuwe Strafwetboek.[12] De omdoping van straf naar maatregel maakt de formulering van artikel 71 dan ook nogal ongelukkig waar het stelt dat de ontbinding mogelijk is “wanneer de rechtspersoon opzettelijk is opgericht om de strafbare werkzaamheden te verrichten waarvoor hij werd veroordeeld […]”.
De wetgever doet er in de toekomst dan ook best aan het woord “veroordeeld” hier te vervangen door “vervolgd”. Het bezwaar dat een veroordeling van de rechtspersoon nodig zou zijn om vermogensvoordelen te kunnen afromen[13], gaat daarbij niet zonder meer op. Het kan namelijk zo zijn dat een schuld of een vereffeningssaldo (gedeeltelijk) samenvalt met de waarde van de vermogensvoordelen van de personen die zich hebben bediend van de rechtspersoon. In dat geval kan een eventuele waardeconfiscatie ten aanzien van deze personen worden uitgevoerd op het aandeel dat hen via het vereffeningssaldo zou worden teruggegeven na de verdere afhandeling van de vereffening. Het nieuwe artikel 71 behoudt immers de regel dat de rechtspersoon na ontbinding door de strafrechter wordt vereffend volgens de regels van het gemeen recht en bij de daartoe bevoegde rechter.
Bij wijze van conclusie, moet uit het voorgaande in elk geval worden onthouden dat:
- de wettelijke regeling inzake strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen (helaas) slechts beperkt wijzigt;
- strafrechtelijke verantwoordelijkheid in hoofde van rechtspersonen niet alleen een materiële gedraging vereist, maar ook nog steeds een eigen corporatief schuldpatroon, dat losstaat van de schuld van natuurlijke personen;
- gelet op de principes van het schuldstrafrecht, de ontbinding een beveiligingsmaatregel is en niet langer een straf.
Louis LAMBRECHTS
Waeterinckx Van Herpe Advocaten Ondernemingsstrafrecht
[1] WAETERINCKX P., ‘Commentaar bij artikel 18 Sw. 2024’, Comm.Straf. 2026, Wolters Kluwer, losbl.
[2] WAETERINCKX P., ‘Commentaar bij artikel 71 Sw. 2024’, Comm.Straf. 2026, Wolters Kluwer, losbl.
[3] KAMER, 2022-23, 19 december 2023, nr. 55-3374/4, 78-79.
[4] Zoals bijvoorbeeld “het plegen van misdrijven in het kader van de activiteiten van de rechtspersoon”.
[5] De praktijk toont aan dat in zulke gevallen veeleer de natuurlijke personen worden vervolgd en niet de gelijkgestelde entiteiten zelf.
[6] SENAAT, 1998-99, 10 maart 1999, nr. 1-1217/6, 19.
[7] Voor de misdrijven die geen opzet vereisen, leidt Patrick Waeterinckx uit de rechtspraak drie richtsnoeren af ter beoordeling van het moreel bestanddeel: een behoorlijke interne organisatie binnen de rechtspersoon, de keuze van de juiste personen voor de juiste taken en toezicht en controle op de uitvoering.
[8] Hoe kleiner de rechtspersoon, des te lastiger valt een eigen corporatief schuldpatroon te ontwaren dat losstaat van dat van haar (weinige) orga(a)n(en).
[9] SENAAT, 1998-99, 10 maart 1999, nr. 1217/6, 8-9. Ter illustratie: wanneer een natuurlijke persoon als enige bestuurder de rechtspersoon misbruikt voor eigen profijt, dan is de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon uitgesloten (VANDERMEERSCH D., ‘Conclusie bij Cass. 28 april 2021, P.21.0253.F’, Dr.pén.entr. 2022, (99) 102.).
[10] RvS 27 maart 2017, Advies 60.893/3, nr. 154.
[11] KAMER, 2022-23, 23 mei 2023, nr. 55-3374/1, 270. Dit maakt trouwens een retroactieve toepassing van de ontbinding als beveiligingsmaatregel mogelijk.
[12] Ook hier werd het woord “doel” vervangen door “voorwerp” en de uitdrukkelijke vermelding dat een publiekrechtelijke rechtspersoon niet kan worden ontbonden, wordt in tegenstelling tot vroeger (zie art. 7bis t.o.v. art. 35 OSw.) in dezelfde bepaling als de ontbinding ondergebracht.
[13] FRANSSEN V., ‘Article 71 – La dissolution de la personne morale’ in Le nouveau Code pénal. Commentaire article par article du livre Ier, Anthemis, 2024, (367) 370.
